De staartmees (Aegithalos caudatus) is een zangvogel uit de familie staartmezen (Aegithalidae). Hij behoort niet tot de familie van echte mezen (Paridae); staartmezen vormen een eigen familie.
Ze worden ongeveer 14 cm groot (daarvan neemt zijn staart 7 cm in beslag), ongeveer even groot als de koolmees. De staartmees komt voor in bosrijke omgevingen, in struikgewas, op bouwland en soms in parken en tuinen. Ze leven in groepen van 20 tot 60 individuen. Ze bouwen bolvormige nesten met een ingang aan de voorzijde. De vogel moet zijn staart over zijn rug leggen als hij op de eitjes zit. Staartmezen hebben een klein zwart/wit/roze lichaam met een zeer lange staart. Zijn zang bestaat uit korte kreten en roepgeluiden.
Staartmees is tevens een verzamelnaam van allerlei moeilijk te herkennen ondersoorten, die een behoorlijk complexe groep vormen. In Nederland komt de ondersoort europaeus voor, die een samenraapsel is van vogels met een grote variatie in verenkleed. Van witkoppig (de zogenaamde witkoppige staartmezen) tot donkerkoppig (de vogels die standaard in de boekjes zijn afgebeeld). Deze verzamelgroep komt voor in het grootste deel van Europa. Andere ondersoorten die gevonden kunnen worden in Europa zijn de rosaseus in Engeland, Ierland en Schotland, de caudatus van Scandinavië tot noordelijk Japan, irbii uit Spanje en taiti uit Frankrijk/Spanje (waarschijnlijk een overgangsvorm tussen europaeus en irbii), verder komen in Turkije en omgeving nog tephronotus en alpinus voor waarbij met name de eerste waarschijnlijk weer een overgansvorm is net zoals de major.
De vage ondersoorten (waarschijnlijk onderdeel van de europaeus groep); aremoricus van Frankrijk, italiae uit Italië, macedonicus van de Balkan en de tauricus van De Krim vallen allemaal qua variatie prima binnen europaeus groep.
Deze groep vogels is dus zeer lastig voor mensen die van een vogel de exacte soort willen bepalen. Er is nog veel behoefte aan onderzoek naar de herkenning. Met betrekking tot het sociale aspect en nestbouw, is de staartmees een interessante groep voor vogelliefhebbers omdat deze vogels behoorlijk sociaal zijn en zeer bijzonder gedrag vertonen.
zaterdag 2 januari 2016
Patrijs
De Patrijs of het veldhoen (Perdix perdix) is een akkervogel uit de familie der fazantachtigen (Phasianidae). De soort komt voor in grote delen van het Europese continent en het westen van Azië. De patrijs leeft ook in Nederland en België.
Een volwassen patrijs is wordt 28 à 32 centimeter lang en is compact met een rond lichaam. Op het eerste gezicht lijken de mannetjes en vrouwtjes op elkaar; toch is er sprake van seksueel dimorfisme. De mannetjes hebben een donkerbruine buikvlek in de vorm van een hoefijzer, terwijl bij vrouwtjes deze vlek een stuk kleiner en grauwer is of helemaal ontbreekt. Beide geslachten hebben een oranjekleurige keel, wangen en wenkbrauwstreep. De kroon, nek, borst en flanken zijn lichtgrijs. De flanken zijn daarnaast voorzien van meerdere roestbruine banden. Daarnaast heeft de patrijs bruine vleugels en een witte buik en onderstaartdekveren. Juveniele vogels hebben geen borstvlek en hebben veel weg van een kwartel (Coturnix coturnix) of jonge fazant (Phasianus colchicus), maar zijn groter en compacter. De jonge vogels zijn geelbruin tot grijsbruin, zonder oranje delen rondom de kop of borstvlek. Na twee à drieënhalve maand zal de jonge patrijs naar een adult verenkleed ruien. Patrijzen zijn vaak in kleine groepen te zien.
Het broeden begint in het Verenigd Koninkrijk al vanaf eind april, in Centraal-Europa tussen begin mei en juni en in Zweden tussen eind mei en juni, met een eventueel tweede legsel in augustus of september. Het eerste legsel bestaat uit maar liefst 15-17 eieren, maar legt minder eieren bij een eventueel tweede legsel. Het nest is een ondiep kuiltje met plantaardige materialen die gebouwd wordt onder een heg of andere dichte vegetatie. Er was een partnerkeuze-experiment opgezet door Beani & Dessì-Fulgheri (1995) om uit te vinden of uiterlijke kenmerken van het mannetje een rol spelen voor vrouwtjes bij de keuze van een partner. De kastanjebruine buikvlek werd hierbij geheel of gedeeltelijk verbleekt. Er bleek dat het belangrijkste kenmerk van een mannelijke patrijs geen rol speelt bij de partnerkeuze; daarentegen kozen de vrouwtjes wel een partner op basis van zijn zangkwaliteiten.
Het voedsel bestaat uit zaden, onkruiden, granen, bladeren van grassen en klaver en insecten. Patrijzen komen van nature voor in steppegebieden en cultuurlandschappen in de gematigde zone voor. Heeft in onze contreien een voorkeur voor extensief beheerde landbouwgebieden met een verscheidenheid aan kleinschalige elementen. De patrijs leeft daar in weilanden, graanakkers, akkerranden, wegranden en braakliggende terreinen met houtwallen, singels of heggen. De ondersoort Perdix perdix hispaniensis die in de Pyreneeën en het Cantabrisch Gebergte voorkomt, leeft in berggebieden met dicht struikgewas dat afgewisseld wordt door kruidenrijke vegetaties. Deze gebieden moeten echter beheerd worden door middel van begrazing of door het gecontroleerd laten afbranden, omdat ze anders tot bossen uitgroeien.
De Europese populatie werd in 2015 door Birdlife International geschat op 1,38-2,67 miljoen broedparen. Het verspreidingsgebied van de patrijs strekt zich uit over grote delen van het Europese continent en reikt van Ierland tot aan het Oeralgebergte, met uitzondering van noordelijk Fennoscandinavië, IJsland en het noorden van Rusland. Daarnaast is de soort ook aanwezig in delen van West-Siberië, Kazachstan en Transkaukasië en is hij geïntroduceerd in Noord-Amerika. De patrijs is hoofdzakelijk een standvogel, maar in Oost-Europa trekt de soort gedeeltelijk. Trekt in de Kaukasus in oktober of november van de bergen naar de valleien.
Achteruitgang van de patrijs
Sinds het begin van de 20e eeuw gaat de patrijs in alle 31 landen waar de soort voorkomt in aantal achteruit. De oorzaak van de achteruitgang van de patrijs is onder andere een gebrek aan insecten, door het overmatige gebruik van pesticiden en herbiciden. Daarbij komt ook nog een afname van nestgelegenheid door de verschraling van het agrarische landschap door intensieve landbouw en veeteelt, waarbij kleinschalige elementen als heggen, kruidenrijke overhoekjes en stoppelakkers verdwijnen. Bovendien lopen jonge vogels en nesten in het broedseizoen het risico om uitgemaaid te worden.
De achteruitgang is in Nederland goed gedocumenteerd; dit begon al in de periode 1950 tot 1970, waarbij uit deelstudies bleek dat de vogel in die periode achteruitging met 40-60%. Volgens Sovon Vogelonderzoek Nederland nam het aantal broedparen in de periode 1990-2003 verder af en broedden er in 2007 nog ongeveer 10.000 paar in Nederland.
Er zijn onder meer in de Achterhoek initiatieven opgezet om de patrijs weer te doen toenemen. Dankzij gerichte beschermingsmaatregelen wist de soort in de omgeving van Aalten weer toe te nemen en steeg het aantal broedparen van drie paartjes in 2011, naar 34 paartjes in 2015.
Een volwassen patrijs is wordt 28 à 32 centimeter lang en is compact met een rond lichaam. Op het eerste gezicht lijken de mannetjes en vrouwtjes op elkaar; toch is er sprake van seksueel dimorfisme. De mannetjes hebben een donkerbruine buikvlek in de vorm van een hoefijzer, terwijl bij vrouwtjes deze vlek een stuk kleiner en grauwer is of helemaal ontbreekt. Beide geslachten hebben een oranjekleurige keel, wangen en wenkbrauwstreep. De kroon, nek, borst en flanken zijn lichtgrijs. De flanken zijn daarnaast voorzien van meerdere roestbruine banden. Daarnaast heeft de patrijs bruine vleugels en een witte buik en onderstaartdekveren. Juveniele vogels hebben geen borstvlek en hebben veel weg van een kwartel (Coturnix coturnix) of jonge fazant (Phasianus colchicus), maar zijn groter en compacter. De jonge vogels zijn geelbruin tot grijsbruin, zonder oranje delen rondom de kop of borstvlek. Na twee à drieënhalve maand zal de jonge patrijs naar een adult verenkleed ruien. Patrijzen zijn vaak in kleine groepen te zien.
Het broeden begint in het Verenigd Koninkrijk al vanaf eind april, in Centraal-Europa tussen begin mei en juni en in Zweden tussen eind mei en juni, met een eventueel tweede legsel in augustus of september. Het eerste legsel bestaat uit maar liefst 15-17 eieren, maar legt minder eieren bij een eventueel tweede legsel. Het nest is een ondiep kuiltje met plantaardige materialen die gebouwd wordt onder een heg of andere dichte vegetatie. Er was een partnerkeuze-experiment opgezet door Beani & Dessì-Fulgheri (1995) om uit te vinden of uiterlijke kenmerken van het mannetje een rol spelen voor vrouwtjes bij de keuze van een partner. De kastanjebruine buikvlek werd hierbij geheel of gedeeltelijk verbleekt. Er bleek dat het belangrijkste kenmerk van een mannelijke patrijs geen rol speelt bij de partnerkeuze; daarentegen kozen de vrouwtjes wel een partner op basis van zijn zangkwaliteiten.
Het voedsel bestaat uit zaden, onkruiden, granen, bladeren van grassen en klaver en insecten. Patrijzen komen van nature voor in steppegebieden en cultuurlandschappen in de gematigde zone voor. Heeft in onze contreien een voorkeur voor extensief beheerde landbouwgebieden met een verscheidenheid aan kleinschalige elementen. De patrijs leeft daar in weilanden, graanakkers, akkerranden, wegranden en braakliggende terreinen met houtwallen, singels of heggen. De ondersoort Perdix perdix hispaniensis die in de Pyreneeën en het Cantabrisch Gebergte voorkomt, leeft in berggebieden met dicht struikgewas dat afgewisseld wordt door kruidenrijke vegetaties. Deze gebieden moeten echter beheerd worden door middel van begrazing of door het gecontroleerd laten afbranden, omdat ze anders tot bossen uitgroeien.
De Europese populatie werd in 2015 door Birdlife International geschat op 1,38-2,67 miljoen broedparen. Het verspreidingsgebied van de patrijs strekt zich uit over grote delen van het Europese continent en reikt van Ierland tot aan het Oeralgebergte, met uitzondering van noordelijk Fennoscandinavië, IJsland en het noorden van Rusland. Daarnaast is de soort ook aanwezig in delen van West-Siberië, Kazachstan en Transkaukasië en is hij geïntroduceerd in Noord-Amerika. De patrijs is hoofdzakelijk een standvogel, maar in Oost-Europa trekt de soort gedeeltelijk. Trekt in de Kaukasus in oktober of november van de bergen naar de valleien.
Achteruitgang van de patrijs
Sinds het begin van de 20e eeuw gaat de patrijs in alle 31 landen waar de soort voorkomt in aantal achteruit. De oorzaak van de achteruitgang van de patrijs is onder andere een gebrek aan insecten, door het overmatige gebruik van pesticiden en herbiciden. Daarbij komt ook nog een afname van nestgelegenheid door de verschraling van het agrarische landschap door intensieve landbouw en veeteelt, waarbij kleinschalige elementen als heggen, kruidenrijke overhoekjes en stoppelakkers verdwijnen. Bovendien lopen jonge vogels en nesten in het broedseizoen het risico om uitgemaaid te worden.
De achteruitgang is in Nederland goed gedocumenteerd; dit begon al in de periode 1950 tot 1970, waarbij uit deelstudies bleek dat de vogel in die periode achteruitging met 40-60%. Volgens Sovon Vogelonderzoek Nederland nam het aantal broedparen in de periode 1990-2003 verder af en broedden er in 2007 nog ongeveer 10.000 paar in Nederland.
Er zijn onder meer in de Achterhoek initiatieven opgezet om de patrijs weer te doen toenemen. Dankzij gerichte beschermingsmaatregelen wist de soort in de omgeving van Aalten weer toe te nemen en steeg het aantal broedparen van drie paartjes in 2011, naar 34 paartjes in 2015.
Wilde zwaan
De wilde zwaan (Cygnus cygnus) is een ongeveer 1,5 meter grote, witte zwaan die voorkomt in Noord-Europa en Azië.
De wilde zwaan is een echte wintergast. De imposante witte vogels komen vanuit de broedgebieden in Fenno-Scandinavië en Rusland en overwinteren op Nederlandse weiden en op wateren in het duingebied. De Amsterdamse Waterleidingduinen zijn een gebied waar al sinds het bestaan van het gebied wilde zwanen overwinteren. De wilde zwaan lijkt op de kleine zwaan. De wilde heeft echter een grote, driehoekige gele plek op de snavel. Bovendien zijn de vogels veel groter dan de 'kleine' familieleden. In het Frans heet de wilde zwaan 'Cygne Chanteur', zingende zwaan. De trompetachtige nasale drietonen die wilde zwanen slaken zijn daar de reden voor.
Wilde zwanen vindt men op graslanden, moeras, plassen en op rivieren. Wilde zwanen broeden langs poelen op toendra’s, in veenmoerassen en bij kleine meren in afgelegen gebieden in Fenno-Scandinavië en het noorden van Rusland. In het najaar trekken wilde zwanen naar Nederland om te overwinteren op de weiden en in plassen in het duingebied. Ze voeden zich hier met ondergedoken waterplanten, grassen en jonge gewassen.
Tijdens de vogeltrek komen de zwanen vanuit Scandinavië en Noord-Rusland via Denemarken en Noord-Duitsland naar Nederland en België.
Opvallende kenmerken
Grote witte zwaan, met opvallende geel met zwarte snavel. Overwinteren in Nederland worden dikwijls in kleine groepen gezien.
Lang en wigvormig: de snavel is grotendeels geel met een zwarte punt. Het geel op de snavel loopt normaal uit in een punt (vgl. Kleine zwaan, die een ronde gele plek op de snavel heeft). De poten zijn donker met zwemvliezen.
De wilde zwanen die in Nederland overwinteren komen uit Fenno-Scandinavië en Noord-Rusland. Het aantal overwinterende wilde zwanen wordt sterk beïnvloed door het winterweer in de andere overwinteringsgebieden, zoals Denemarken en Noord-Duitsland. Nederland ligt namelijk aan de zuidwestgrens van het Europese winterareaal. Sinds 1970 is het aantal overwinteraars toegenomen. Deze toename houdt waarschijnlijk verband met de jaarlijkse toename van de broedvogelpopulatie in Noorwegen, Zweden en Finland.
De toename van het aantal overwinterende wilde zwanen heeft waarschijnlijk te maken met een verbeterende bescherming en verbeterend voedselaanbod in het overwinteringsgebied.
De wilde zwaan is een echte wintergast. De imposante witte vogels komen vanuit de broedgebieden in Fenno-Scandinavië en Rusland en overwinteren op Nederlandse weiden en op wateren in het duingebied. De Amsterdamse Waterleidingduinen zijn een gebied waar al sinds het bestaan van het gebied wilde zwanen overwinteren. De wilde zwaan lijkt op de kleine zwaan. De wilde heeft echter een grote, driehoekige gele plek op de snavel. Bovendien zijn de vogels veel groter dan de 'kleine' familieleden. In het Frans heet de wilde zwaan 'Cygne Chanteur', zingende zwaan. De trompetachtige nasale drietonen die wilde zwanen slaken zijn daar de reden voor.
Wilde zwanen vindt men op graslanden, moeras, plassen en op rivieren. Wilde zwanen broeden langs poelen op toendra’s, in veenmoerassen en bij kleine meren in afgelegen gebieden in Fenno-Scandinavië en het noorden van Rusland. In het najaar trekken wilde zwanen naar Nederland om te overwinteren op de weiden en in plassen in het duingebied. Ze voeden zich hier met ondergedoken waterplanten, grassen en jonge gewassen.
Tijdens de vogeltrek komen de zwanen vanuit Scandinavië en Noord-Rusland via Denemarken en Noord-Duitsland naar Nederland en België.
Opvallende kenmerken
Grote witte zwaan, met opvallende geel met zwarte snavel. Overwinteren in Nederland worden dikwijls in kleine groepen gezien.
Lang en wigvormig: de snavel is grotendeels geel met een zwarte punt. Het geel op de snavel loopt normaal uit in een punt (vgl. Kleine zwaan, die een ronde gele plek op de snavel heeft). De poten zijn donker met zwemvliezen.
De wilde zwanen die in Nederland overwinteren komen uit Fenno-Scandinavië en Noord-Rusland. Het aantal overwinterende wilde zwanen wordt sterk beïnvloed door het winterweer in de andere overwinteringsgebieden, zoals Denemarken en Noord-Duitsland. Nederland ligt namelijk aan de zuidwestgrens van het Europese winterareaal. Sinds 1970 is het aantal overwinteraars toegenomen. Deze toename houdt waarschijnlijk verband met de jaarlijkse toename van de broedvogelpopulatie in Noorwegen, Zweden en Finland.
De toename van het aantal overwinterende wilde zwanen heeft waarschijnlijk te maken met een verbeterende bescherming en verbeterend voedselaanbod in het overwinteringsgebied.
Abonneren op:
Posts (Atom)


