zondag 14 mei 2017

Tuinfluiter

Ik meende deze kleine zangvogel als eens gehoord te hebben, maar nu heb ik er ook nog foto's van maken. Hoewel dat dit vogeltje mij meteen aan de Tuinfluiter deed denken, leek mij het te mooi om waar te zijn. Na de aanmelding op Waarneming.nl kreeg ik de bevestiging dat het inderdaad een Tuinfluiter betreft.

De zang bestaat uit zachte tonen en lijkt nog wel het meest op een versneld afgespeelde opname van een merel. Zang lijkt op die van zwartkop, maar mist de heldere fluittonen.

De tuinfluiter (Sylvia borin) is een zangvogel uit de familie van zangers (Sylviidae). Het verenkleed van deze 14 cm grote vogel bestaat uit een bruine bovenzijde en een licht geelbruine onderzijde. Verder heeft de vogel een ronde kop met een korte bruine snavel en grijsbruine poten. De tuinfluiter komt algemeen voor in Nederland. De tuinfluiter is verwant aan de zwartkop en heeft een deels vergelijkbare zang. Houdt zich veelal op in struikgewas en is moeilijk te zien, maar vaak goed te horen.


De tuinfluiter is net zo groot als de koolmees. Hij is bruingrijs op de rug en grijswit op de buik en heeft grijze poten. Meest opvallende is de grijze vlek in zijn hals en de korte stompe snavel. Laat zich niet snel zien, maar is wel vaak te horen. De zang wordt vaak gekarakteriseerd als een 'snelle merel' en lijkt soms verwarrend veel op de zwartkop, maar mist de heldere luide tonen. Het geluid bestaat uit zachte tonen en lijkt nog wel het meest op een versneld afgespeelde opname van een merel. Zang lijkt op die van zwartkop, maar mist de heldere fluittonen.

De Tuinfluiter leeft op plaatsen waar bomen en struiken volop aanwezig zijn: bossen, bosranden en houtwallen. Hij houdt zich bij voorkeur op aan de rand van open plekken. In stedelijke gebieden in parken en tuinen bevindt hij zich vooral in de dichte ondergroei. Ze voeden zich met insecten (vooral bladluizen) en hun larven tijdens broedperiode, fruit en insecten in de rest van het jaar.

De Nederlandse tuinfluiter trekt tussen juli en oktober over een breed front naar het zuiden. Tuinfluiters uit landen zoals Duitsland, Polen en Scandinaviƫ passeren dan ook ons land. De tuinfluiter gaat via Frankrijk, Spanje en Portugal naar Afrika, waar hij ten zuiden van de Sahara overwintert. De overtocht naar Afrika verloopt grotendeels via de Straat van Gibraltar. Eind april is de Nederlandse tuinfluiter weer terug. Nachttrekker.

Tapuit

De tapuit (Oenanthe oenanthe) is een zangvogel uit de orde Saxicolinae en behoort tot de familie Muscicapidae (Vliegenvangers). In Nederland is de tapuit een schaarse broedvogel in de duinen en zandverstuivingen. De aanwezigheid van de tapuit in de Brabantse Kempen wijst er op dat deze vogel hier ook gedijd.

De Tapuit in de berm van een zandweg, op zoek naar insecten.

Deze vogels hebben een opvallende staarttekening die uit een zwart T-patroon en witte basis bestaat. Deze kenmerken vallen vooral in de vlucht op. Volwassen mannetjes hebben een grijze of grijsbruine rug en een witte of lichte wenkbrauwstreep. Mannetjes in broedkleed hebben een asgrijs gekleurde kruin, rug en mantel en hebben op de kop een zwart masker met een witte wenkbrauwstreep. Ze hebben korte en dunne, zwarte snavels, zwarte vleugels, zwarte poten en een geelbeige borst. Vrouwtjes hebben grijsbruine bovendelen en beige onderdelen. De vleugels en oorstreek zijn donkerder en de wenkrauwstreep is beige. Onvolwassen vogels en mannetjes lijken in het najaar sterk op vrouwtjes. De lichaamslengte bedraagt 14,5 tot 15,5 cm, het gewicht 17 tot 30 gram en de spanwijdte 26 tot 32 cm.


De tapuit is een insecteneter die op de grond foerageert, bijvoorbeeld op kort grasland. Het voedsel bestaat uit kevers, rupsen, spinnen en sprinkhanen. Als het gras te hoog staat kan de tapuit door zijn ranke bouw niet goed uit de voeten om insecten te vangen. Een legsel bestaat meestal uit 5 tot 6 lichtblauwe eieren, die in 14 dagen worden uitgebroed. Slechts 80% van de eieren komt uit en gemiddeld worden slechts 3,3 jongen per jaar grootgebracht. Een oorzaak wordt gezocht in gifstoffen die tapuiten via het voedsel opnemen.

In Nederland is de tapuit een schaarse broedvogel in de duinen en zandverstuivingen. De soort broedde vooral op de Waddeneilanden en in mindere mate in de duinen van Noord-Holland en Zuid-Holland. De aanwezigheid van de tapuit in de Brabantse Kempen wijst er op dat deze vogel hier ook gedijd. Door het intensieve gebruik van de grond in Nederland voor onder andere bebouwing, landbouw, bosaanplant, etc. is de hoeveelheid oppervlakte die geschikt is als broedgebied voor de tapuit enorm afgenomen. Door atmosferische stikstofdepositie zijn er steeds minder schrale open, zandige plekken die onmisbaar zijn voor de tapuit. Er wordt geprobeerd om woeste gronden te behouden en de duingebieden in stand te houden. Ook de afname van het aantal konijnen en dus oude konijnenholen waar de tapuit graag in broedt, vormen een probleem.

donderdag 27 april 2017

Steltkluut

De steltkluut (Himantopus himantopus) is een waadvogel, of steltloper met zeer lange poten uit de familie van kluten (Recurvirostridae). In Nederland is de steltkluut een bijzondere broedvogel. Steltkluten zijn sociale vogels die in goede leefgebieden het liefst in kleine groepen optrekken. Steltkluten zijn bijna kosmopolieten, op elk continent behalve Antarctica komen ondersoorten van de steltkluut voor.

De steltkluut (Himantopus himantopus) kan door dieper water als andere steltlopers.

Deze vogel heeft enorm lange, roze poten (bijna de helft van de totale lengte), een zwart-wit verenkleed en een lange, rechte naaldfijne snavel. De mantel en vleugels zijn zwart, de kop en kruin zijn wit (vaak grijs bij mannetje). Juveniel lijkt op adult, maar de bovenzijde is bruiner en de poten vuilroze of grijzig. In de vlucht steken de poten ver buiten de staart uit en contrasteren de zwarte ondervleugels sterk met het witte lichaam. Als hij niet in het water loopt, moet hij diep doorbuigen om voedsel op te pikken. Het voedsel bestaat uit allerlei kleine ongewervelde waterdieren: slakken, waterkevers, larven van vliegende insecten, spinnen wormen, kikkervisjes, kleine visjes en soms ook zaden. Zoekt vooral voedsel in ondiep water.

De steltkluut broedt graag in kleine kolonies. Droge voorjaren in Zuid-Europa zorgen waarschijnlijk voor hoge aantallen in Nederland. Begint, zeker in Nederland - de noordelijkste verspreiding - pas eind mei met broeden, en legt daarbij 3 tot 5 eieren die na 22 tot 25 dagen uitkomen. Vrijwel direct kunnen de jongen lopen en voor zichzelf zorgen, en als na 28 dagen de jongen kunnen vliegen, zijn ze ook direct zelfstandig.
Ondiepe wateren (tot 20 cm.) zonder getij. Ondiepe zoet- brak- en zoutwatermoerassen, inundatiegebieden, rijstvelden, viskwekerijen en zoutextractiebekkens zijn typische broedplaatsen. In Nederland zijn vooral ondiepe zoetwatermoerassen van belang als broedgebied - de overige habitats zijn in Nederland niet of nauwelijks aanwezig.

In veel jaren broedt er in Nederland hooguit een enkel paartje steltkluten. In jaren van grote droogte in het Middellandse Zeegebied wijken steltkluten echter uit naar noordelijker broedgebieden. In zulke jaren komen in Nederland tot enkele tientallen paartjes tot broeden.