maandag 17 augustus 2026

Watersnip

De Watersnip is een zeldzame weidevogel, maar op trek nog regelmatig te zien. De vogel vertrouwt bij verstoring lang op zijn schutkleur, maar vliegt op tijd weg met een zigzaggend vlucht, roept daarbij kenmerkend 'skrètsj...skrètsj...'. Heeft opvallende baltsvlucht, waarbij de vogel in een schuine hoek omlaag duikt. Hij spreidt daarbij zijn buitenste staartpennen, die merkwaardig gevormd zijn. Door de vibratie ontstaat een blatend geluid.


De Watersnip vertrouwt bij verstoring lang op zijn schutkleur

Typische snip met zeer lange snavel. Opvallende strepen op kop en rug. Gebandeerde flanken. Een soort die op de watersnip lijkt, is het bokje, maar die heeft een korte snavel en strepen op flanken. De watersnip vliegt bij verstoring vaak ver weg in zigzaggende vlucht; laat daarbij een schorre roep horen.

De Watersnip broedt vooral in vochtig tot nat, zeer extensief gebruikt en kruidenrijk, rijk gestructureerd grasland op veen; ook in gemaaid rietland, trilvenen, vroeger ook natte heide. Graag met wat modderige plekken. Buiten Nederland ook in struiktoendra en open taiga en hoogvenen. Heeft een zachte bodem nodig. Buiten de broedtijd vooral natte graslanden, slootkanten, lage moerasvegetaties e.d. Niet op wad, wel in kwelders. Ook rijstvelden en natte akkers.

Ze eten een gevarieerd menu van kleine ongewervelde dieren, zoals insecten en hun larven (onder meer emelten), wormen, kleine kreeftachtigen, slakjes, spinnen. Soms plantaardig materiaal (vooral zaden). Zoekt voedsel op de tast met de snavel in de bovenste laag van vochtige of natte bodem. Hierbij wordt de snavel in een snel ritme verticaal de bodem ingestoken. Foerageert meestal in kleine groepjes.

Territoriaal, monogaam. Paren worden meestal in het broedgebied gevormd, mannetjes arriveren eerder. Nest op de grond, goed verstopt in de vegetatie. Eén, soms twee broedsels, meestal vier eieren. Legtijd april-juni (in het noorden). Broedduur: 17-21 dagen, alleen vrouwtje broedt. Jongen zijn nestvlieders, worden gehoed en gevoerd door beide ouders. Worden aanvankelijk gevoerd. Vliegvlug na 19-20 dagen.

woensdag 20 maart 2024

Helmparelhoen

Helmparelhoenders zijn snelle loopvogels van de Afrikaanse savanne en dus exoten, die in Nederland zeldzaam worden waargenomen. Hij leeft vooral op de Afrikaanse savannen ten zuiden van de Sahara. Deze gebieden bestaan uit warme, droge en open vlaktes met enkele bomen en struiken. De meeste Helmparelhoenders die wij in ons land tegen komen zitten in gevangenschap, of zullen dan ook uit gevangenschap ontsnapt zijn.


Het is onduidelijk of de soort in ons land nestelt. Helmparelhoenders worden in Europa veel worden gehouden in kinderboerderijen, kleine dierentuinen en dergelijke. De soort werd eind 19e eeuw uitgezet in Duitsland en Hongarije maar verdween hier weer. Dat verwilderde vogels in Nederland kunnen opduiken, blijkt uit twee meldingen in de atlas­periode: enkele paren nabij een eendenkooi bij Boven-Leeuwen in 1998 en een paar bij Urk in 2001. Zekere broedgevallen zijn niet vastgesteld. Of de soort zich in ons land bestendig kan handhaven, valt te betwijfelen. Het verdient echter aanbeveling alert te zijn. Voor deze soort is geen Staat van Instandhouding van toepassing. Het Helmparelhoen is een exoot en valt daarmee buiten artikel 1 van de Vogelrichtlijn, dat betrekking heeft op alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de EU-lidstaten. Het Helmparelhoen is daarmee ook niet beschermd op grond van de Wet natuurbescherming.


Het helmparelhoen is een grote vogel met een rond lichaam en een kleine kop. De grootte varieert van 53 tot 58 centimeter en zijn gewicht is gemiddeld 1,3 kilogram. Zijn naam heeft het helmparelhoen ten eerste te danken aan de witte stippen op het verenkleed, die doen denken aan parels. Daarnaast heeft hij op zijn kop een benige en blauwgekleurde knobbel die aan een helm doet denken. Het helmparelhoen is een alleseter. Net als kippen zoeken helmparelhoenders hun eten door met hun sterke klauwen de grond om te wroeten. Ze eten vooral zaden, fruit, slakken, spinnen, wormen, maar ook kikkers, hagedissen, kleine slangen, kleine zoogdieren en teken.


Helmparelhoenders zijn Afrikaanse loopvogels

Het broeden van eieren doet het helmparelhoen meestal in of na het regenseizoen. De legsels bestaan gemiddeld uit 20 tot 30 eieren. De hen legt haar eieren in een goed bedekte holte en daar broedt ze de eieren in 26 tot 28 dagen uit. De kuikens hebben een schutkleur en hun vleugels groeien snel. Na een week zijn ze al in staat zich al fladderend snel te verplaatsen. De soort wordt in het wild maximaal 12 jaar oud. Eind negentiende eeuw werd de soort in het wild uitgezet in Duitsland en Hongarije, maar hield daar geen stand. In Nederland wordt het helmparelhoen met regelmaat verwilderd aangetroffen; voortplanting is daarbij niet vastgesteld.

zaterdag 3 juni 2023

Gele kwikstaart

Gele kwikstaarten hebben een voorkeur voor open landbouwgebieden. Ze wippen de staart regelmatig met felle schokkende bewegingen op en neer. 'Gele kwikken' hebben een onstuimige balts, met trillende veren fladdert het mannetje boven het vrouwtje of loopt steeds rondjes om haar heen. Het Gele kwikstaart mannetje heeft een duidelijke gele keel en borst in prachtkleed. Blauwgrijze kop met brede witte wenkbrauwstreep, gele onderdelen en olijfgroene bovendelen. Spitse snavel van een insecteneter en een 'kwikkende' staart. Heeft een kenmerkende korte roep die hij in de vlucht laat horen. Ze broeden van eind april tot in juli.


De Gele kwikstaart is met zijn felgele verenkleed een vrolijke verschijning op onze akkers.

De oorspronkelijke habitat van de gele kwikstaart bestaat uit rivierbegeleidend grasland. Tegenwoordig broeden de meeste gele kwikstaarten in boerenland; hooiland en weiland, maar vooral akkers. Hoge dichtheden in gemengde gebieden en in bollenvelden. Vaak foeragerend te vinden op weilanden met schapen, koeien en paarden. Gele kwikstaarten eten voornamelijk bodembewonende spinnen en insecten, vooral kevers, vliegen, muggen, wantsen en cicaden. Lopend en rennend, afgewisseld met een sprintvluchtje, zitten ze hun voedsel achterna. Ze zoeken die graag tussen grazend vee en pikken de insecten op die door het vee worden opgejaagd.


Hoewel de aantallen fluctueren, is de Nederlandse populatie grosso modo afgenomen, sinds de jaren zestig tussen de 50% en 75%. Op grasland is de achteruitgang harder gegaan - tot zo'n 90% - dan op bouwland.