zondag 23 oktober 2016

Koperwiek

De Koperwiek is een lijster met koperrode 'oksels' die in vlucht opvallend zijn. Het zijn karakteristieke broedvogels van de naaldbossen van Scandinavië. Koperwieken zijn alleen in september tot mei in Nederland te zien, vooral op besdragende struiken in parken en tuinen en op weilanden grenzend aan hagen en bosjes. Koperwieken hoor je in oktober overtrekken. Met een scherp en lang psriiiihhhh houden de vogels contact met elkaar. Ze trekken met miljoenen over Nederland, soms in enkele dagen of zelfs één dag.

Koperwiek (Turdus iliacus) man

Bovendelen bruin en onderdelen wit met sterke donkere streping. De flanken en ondervleugeldekveren zijn koperrood gekleurd en vallen in de vlucht goed op. De kop is opvallend getekend met een roomwitte wenkbrauwstreep en een witte mondstreep.

Koperwieken zijn in de winter regelmatig (in groepjes) aan te treffen in weilanden, boomgaarden, bossen, parken en tuinen. Ze foerageren op besdragende struiken: duindoorn is populair, maar ook de bessen van hulst, lijsterbes en kardinaalsmuts worden graag gegeten. In zijn Scandinavische broedgebied broedt de koperwiek in dicht struikgewas en in bomen. Leeft vooral in naaldbossen, maar ook in berkenbossen en op bergvlaktes en zelfs in wilgenbos.

Koperwiek (Turdus iliacus) vrouw

In de winter voornamelijk wormen, bessen en zaden, in broedtijd insecten, wormen en slakken. Koperwieken trekken in zuidwestelijke tot zuidoostelijke richting weg vanuit hun Fenno-Scandinavische broedgebieden. Er zijn terugmeldingen van geringde koperwieken uit Frankrijk en het Iberisch Schiereiland, Italië en landen tot aan de Zwarte Zee en Syrië. Koperwieken overwinteren in Midden- en Zuid-Europa. Nederland vormt ruwweg de noordgrens van het overwinteringsgebied. Ze trekken 's nachts en overdag in soms grote groepen. In september en vooral oktober zijn ze met noordenwind soms massaal in Nederland aan te treffen. De voorjaarstrek valt minder op en vindt vooral in Oost-Nederland plaats in maart en april.

woensdag 28 september 2016

Marmereend

De marmereend (Marmaronetta angustirostris) is een vogel uit de familie van de Anatidae (Anatidae) die voorkomt in Zuid-Europa, het Midden-Oosten en Zuidwest-Azië. De eend komt voor in Zuid-Spanje, Turkije, Marokko, Algerije, Tunesië, het Midden-Oosten en Zuidwest-Azië tot in Pakistan, maar kan sporadische Nederlandse kust aan doen. Onze Marmereend zat in het natuurgebied Leikeven, ten noorden van Tilburg.

Deze dwaalgast deed natuurgebied Leikeven, ten noorden van Tilburg aan

De marmereend is 39 tot 42 cm lang en heeft een spanwijdte van 63 tot 70 cm. De eend is lichtbruin van kleur met witachtige vlekken over heel zijn lijf en een donkere vlek aan de zijkant van de kop. De vleugels zijn lang en zonder spiegel, de snavel lang, dun en zwart. De staart is lang, de poten zijn zwart. Het mannetje is te herkennen aan de verlengde veren aan de achterkant van zijn kop, als een soort beginnende kuif. Het vrouwtje heeft op de snavelbasis een groene vlek en mist de verlengde veren achter op de kop.[

De marmereend trekt onregelmatig over korte afstanden, meestal blijft hij echter 's winters aan de kust of aan de rand van meren, in de ondiepe delen. In het broedseizoen verblijven en nestelen ze in ondiepe, kleine plassen met veel oever- en onderwatervegetatie of op rustige zijrivieren in verder vrij droge gebieden.

De marmereend broedt alleen of soms in kleine groepen in de struiken bij een meer of kleine plas, soms in vochtige graslanden. De 7-12 geel- of bruinachtige eieren worden gelegd in juni of juli en in 25-27 dagen door het vrouwtje uitgebroed. De mannetjes verzamelen zich tussentijds om te ruien en nemen slechts af en toe de broedzorg waar. Bij gevaar vliegt het mannetje luid roepend om de vijand heen. Wanneer de jongen zijn uitgekomen, leidt het vrouwtje ze naar het water en verzorgt ze tot ze kunnen vliegen.

Plantendelen, zaden, waterinsecten, larven, weekdieren en andere waterbeestjes, staan op het dagelijkse menu van deze eend.

dinsdag 20 september 2016

Kanoet

De Kanoet of kanoetstrandloper (Calidris canutus) is de tweede in grootte van het geslacht Calidris. Het is een forse, vrij gedrongen vogel met korte hals en poten en een middellange snavel. De kanoetstrandloper is 23 tot 26 cm lang. De kanoet heeft in zomerkleed een dieporanje gekleurde kop, borst en buik. Het winterkleed is veel minder spectaculair. De vogel is dan grijs van boven, hoewel iedere veer is afgezet door een smal wit randje. Van onder is hij wit, de snavel is donker en de poten grijsgroen. Een goed kenmerk is een wat gestreepte flank.

Op deze foto; links de Bonte Strandloper en rechts de veel grotere Kanoet.

De Kanoet broedt in het hoge noorden rond de gehele Noordelijke IJszee. Daar kan men hem aantreffen in zijn zomerkleed met dieporanje onderdelen. De broedparen houden onderling veel afstand, gemiddeld broedt er minder dan een paar per vierkante kilometer 's Winters is de vogel te vinden langs de kusten van West-Europa, Noord-Amerika en Zuid-Amerika tot op de zuidpunt, West- en Zuid-Afrika, Australië Nieuw-Zeeland. De vogel zoekt zijn voedsel op stranden en in modder, bijvoorbeeld in waddengebieden en riviermondingen met slikgebieden.

De kanoet heeft een enorm groot verspreidingsgebied en daardoor alleen al is de kans op uitsterven gering. De grootte van de populatie werd in 2015 geschat op 891 tot 979 duizend exemplaren; dit aantal gaat achteruit door inpolderingen, verstedelijking, intensieve schelpdiervisserij, olierampen en toenemende recreatie in kustgebieden. Om deze redenen staat deze strandloper als gevoelig op de rode lijst van de IUCN.

Er zijn zes kanoet ondersoorten, naast de nominaat die in Noord- en Midden-Siberië broedt en aan de kusten van West- en Zuid-Afrika overwintert, zijn er vijf ondersoorten met eigen broedgebieden, trekroutes en overwinteringsgebieden. Zo zijn er de ondersoorten C. c. rogersi en C. c. rufa (westelijk Noord-Amerika) en C. c. islandica (Noordoost-Canada en Groenland) die voornamelijk verschillen in de intensiteit van de rode kleur en verder C. c. roselaari (Noordoost Siberië, vernoemd naar Cees Roselaar, een Nederlandse ornitholoog). Pas in 2001 werd de ondersoort C. c. piersmai beschreven door de Russische onderzoeker Pavel Tomkovitsj. Tomkovitsj vernoemde deze ondersoort naar zijn collega-onderzoeker, de Nederlander Theunis Piersma. Deze ondersoort overwintert in Noordwest-Australië en de Bohaibaai, een waddengebied in China.