donderdag 20 april 2017

Bonte vliegenvanger

Enkele decennia geleden werd de bonte vliegenvanger zelden gezien in Nederland. Tegenwoordig is hij algemener na een sterke opmars vanuit Centraal Europa. Bonte vliegenvangers broeden in enkele in boomholtes of in nestkasten. Hij komt vooral voor in het zuid-oostelijke deel van het land voor.


De Bonte vliegenvanger ♂

De keel en buik van het mannetje van de noordelijke populaties zijn helder wit van kleur evenals de witte vleugelvlek en een kleine dubbele witte vlek boven de snavel. De rest van het verenkleed is zwart in prachtkleed, of meer bruingrijs. Het mannetje is donkerder van kleur dan het vrouwtje dat meer bruin is. Maar in Nederland zijn de mannetjes niet zwart maar bruin en soms moeilijk van vrouwtjes te onderscheiden.

De Bonte vliegenvanger broedt vanaf eind april tot juni, heeft 1 legsel per jaar met meestal 6 tot 7 eieren. Ze broeden vaak in nestkasten, maar ook wel in boomholten zoals in de vrije natuur waar veel oude spechten nesthoten zijn. Broedduur 12 tot 17 dagen. Na 16 dagen vliegen de jongen uit. Dan blijven de vogels met elkaar nog zo'n ca. 8 dagen in omgeving van het nest, om daarna de broedplaats meestal te verlaten.


De Bonte vliegenvanger ♀

Deze soort wordt vooral aangetroffen in half open loof- en gemengde bossen met een gevarieerde structuur. Het meest in het zuidoosten tot het oosten van Nederland. Insecten zoals vliegen, muggen, vlinders en libellen, maar ook oorwurmen en sprinkhanen staan op het menu van de bonte vliegevanger. Vanaf een zitpost maken bonte vliegenvangers korte vluchten achter vliegende insecten aan, en vangen deze in volle vlucht.

donderdag 2 februari 2017

Kuifmees

De kuifmees is een bijna endemische Europeaan: de verspreiding is vrijwel beperkt tot Europa. Dat komt niet veel voor in de vogelwereld. De prachtige kuif wordt bij opwinding nog verder opgezet.

De Kuifmees zit graag in een naaldbos waar ook berken dichtbij staan. Door dennen gedomineerde naaldbossen zijn favoriet.

De bovenkant van de kuifmees is bruin en onderdelen vuilwit. Markante zwart-witte koptekening en opvallende spitse, driehoekige kuif die kan worden opgezet. Geen verschil tussen mannetje en vrouwtje.

Broedt in naaldbossen waar het vrouwtje vooral naar dode berkenbomen zoekt, om een nestholte uit te hakken; daarvoor moet het hout wel zacht genoeg zijn. Vanaf half april tot juli worden 1 a 2 legsels bebroed met 4 - 8 eieren, tot soms wel 11. Na 13 - 18 dagen komen de eieren uit, 16 - 22 dagen later zijn de jongen vliegvlug, en worden daarna nog 23 - 25 dagen gevoed door de ouders.

Het voedsel van de Kuifmees bestaat voornamelijk insecten en andere ongewervelden, maar schakelt in de winter ook over op zaden van naaldbomen, en eventueel ook andere bomen (wilg, populier) en bessen van meidoorn en lijsterbes. Foerageert vaak rusteloos hoog in de bomen, van boomtop naar boomtop vliegend.

De Kuifmees is een standvogel en verspreidt zich eigenlijk alleen vanaf de nazomer en in de winter, als jonge vogels kleine groepjes vormen. De verspreiding blijft al tientallen jaren gelijk, al kunnen kleine populaties verschijnen en weer verdwijnen. De landelijke aantallen profiteerden van het verouderen van het bos en van minder intensief bosbeheer. Sinds ongeveer 1985 is er sprake van een afname, maar minder hard dan werd verwacht door het omzetten naaldbossen naar meer natuurlijk loofbos.

dinsdag 24 januari 2017

Zwartkop

De zwartkop (Sylvia atricapilla) is een zangvogel uit de familie van zangers (Sylviidae). Het verenkleed van deze trekvogel is aan de bovenzijde grijsbruin en aan de onderzijde vuilwit. Het mannetje heeft een zwarte kruin, terwijl het vrouwtje een roodbruine heeft.

De zwartkop (Sylvia atricapilla) is een zangvogel uit de familie van zangers (Sylviidae)

Tot die familiegroep behoren ook de; Kleine zwartkop, Orpheusgrasmus, Baardgrasmus, Braamsluiper, Grasmus, Brilgrasmus, Provençaalse grasmus, Rüppells grasmus, Sperwergrasmus en de Tuinfluiter.

De zwartkop is van kop tot staart ongeveer net zo groot als een koolmees, alleen heeft de zwartkop een kortere staart als de koolmees en heeft de zwartkop een iets zwaarder lijf. De zwartkop dankt zijn naam aan de zwarte pet op zijn kop, die alleen het mannetje draagt. Het vrouwtje heeft een roestbruine pet. Bij het mannetje is de rest van het verenkleed grijs, bij het vrouwtje grijsbruin. Een jong mannetje heeft in de winter een zwarte pet, met bruine vlekken. De zwartkop vliegt weinig en laat zich vooral horen.

De zwartkop broedt in bossen en halfopen landschappen met bomen en struiken. Leeft bij voorkeur in loof- en gemengde bossen met een rijke ondergroei van vooral bramen. Komt ook voor in parken, tuinen en andere halfopen landschappen met bomen en struiken. Zwartkoppen trekken grotendeels weg vanaf half augustus tot half oktober naar het zuidwesten, samen met Duitse en Scandinavische broedvogels. Ze overwinteren in Zuid-Engeland of het westelijk deel van het Middellandse Zeegebied: voornamelijk Spanje, Marokko en Algerije. Zwartkoppen keren in begin april terug in Nederland en steeds vaker al in maart.