zaterdag 6 februari 2016

Papegaaiduiker

De papegaaiduiker is een opmerkelijke vogel, haast pinguinachtig om te zien. De snavel bestaat uit felle kleuren van geel en rood en bij het oog hebben ze een lijntje, alsof ze zijn opgemaakt. Papegaaiduikers broeden niet in Nederland. Soms worden ze bij harde aanlandige wind langs de kust gezien, maar nooit in het binnenland.


De spaarzame papegaaiduikers die in Nederland gezien worden zijn vaak olieslachtoffers en vaak al dood of stervende. Ze broeden op rotseilanden in de Atlantische oceaan. In verschillende Noord-Europese landen en Schotland is het mogelijk de broedkolonies te bezoeken en zijn ze heel tam.

Overige namen Puffin, Fratercula arctica
Orde CharadriiformesFamilieAlken (Alcidae)
Status Jaargast. Doortrekker en wintergast in vrij klein aantal; zomergast in uiterst klein aantal
Europese verspreiding Broedvogel langs de kusten van Frankrijk, Groot-Brittanië, IJsland en de Scandinavische landen.

Papegaaiduikers leven aan de zeekust. Papegaaiduikers zijn echte zeevogels en zoekt dus al zijn voedsel op zee, wat hoofdzakelijk bestaat uit zeevruchten, maar ook ongewervelden. De broedperiode is van April tot juni. Ze brengen een legsel groot en leggen maar twee eieren. De Papegaaiduikers trekken van de broedgebieden in noord-west schotland, Noorwegen, ierland en de Kanaaleilanden naar de West-Atlantische zeeën.

Papegaaiduikers zijn opvallende vogels met een niet minder opvallende snavel, waarmee is de soort met geen enkele andere soort te verwarren. Een echte zeevogel die het grootste deel van zijn leven op zee doorbrengt en alleen aan (ei)land komt om te broeden. Het broedkleed is overwegend zwart-wit met felgekleurde snavel en poten, in winterkleed geheel zwart-wit met donkere snavel. In het broedkleed heeft de Papegaaiduiker een bontgekleurde dikke snavel met geel, blauw, oranje en rode tinten. De Poten zijn fel oranje.

De papegaaiduiker wordt 28 tot 34 cm lang. Hij is de kleinste soort uit het geslacht Fratercula. Hij heeft een vleugelspanwijdte van 50 tot 60 cm en weegt ongeveer 300 tot 700 gram.

donderdag 4 februari 2016

IJsduiker

De IJsduiker is een joekel van een duiker met een grote, stevige snavel. IJsduikers zijn in Nederland voornamelijk in de winter te zien, langs de kust maar ook soms in het binnenland. Ze komen vaak vanuit IJsland en overwinteren langs de kust van Noordwest Europa. Soms komt er een vogel in het binnenland terecht en is dan mooi te zien op een grote plas, vaak langs één van de grote rivieren in ons land. Z’n grote snavel valt dan gelijk op. Naast een aalscholver (toch geen kleine vogel) is de ijsduiker een echte reus.


De IJsduiker is een doortrekker en wintergast in uiterst kleine aantallen en komt uit IJsland. Het biotoop van de vogel zijn beken en meren, kust, plassen en op zee. De ijsduiker broedt op diepe meren in bossen en op de toendra. Buiten het broedseizoen is de ijsduiker te vinden langs de kust en eet vis, insecten en kreeftachtigen. De boedperiode spreidt zich uit van mei tot September en legt 1 legsel van 2 eieren. De trekroute loopt langs de kust van Noordwest Europa.

De grote forse duiker heeft een grote forse snavel en een steil voorhoofd. In vlucht zijn de grote, ver uitstekende poten goed te zien. De IJsduiker duikt soepel en krachtig en zoekt vaak voedsel door alleen de kop onder water te steken.

Een adulte vogel in zomerkleed heeft een compleet zwarte kop met groene glans en zwart-witte bloktekening op de bovendelen. Op de zijhals zit een witgestreepte vlek. In winterkleed ontbreekt de zwart-wit tekening en zijn de bovendelen effen donker. Verder is de snavel grijs-wit in plaats van donker. De achterhals is donker en de voorhals licht. Juveniele vogels lijken op adulte vogels in winterkleed maar hebben een licht schubpatroon op de bovendelen. De vogel is groot, 70 tot 90 cm en daarmee zelfs groter als een Aalschover. De snavel is zwaar, die meestal horizontaal wordt gehouden.

Grote karekiet

De Grote karekiet is een zanger met een stevig postuur en een typische rietbewoner. Van alle rietzangers is de grote karekiet het meest gebonden aan stevig, overjarig riet aan de rand van open water. Dat heeft vooral te maken met het zware nest, dat door jong riet of andere vegetatie niet gedragen kan worden. Grote karekieten leven vooral van middelgrote insecten, die in riet en ruigtevegetaties verzameld worden. Het zijn trekvogels, die de winter doorbrengen in tropisch Afrika.


De zomervogel is een zeer schaarse broedvogel in Nederland en België (in tegenstelling tot de Kleine karekiet); doortrekker in (zeer) kleine aantallen. De grote karekiet komt voor op die breedtegraden met een gemiddelde dagtemperatuur in Juli tussen de 17 en 32 graden Celsius. In het Verenigd Koninkrijk ontbreekt de soort, in Scandinavië komt de grote karekiet alleen voor in Zuid-Zweden en in zuidelijk Finland. Rusland, Wit-Rusland en Roemenië zijn belangrijke broedgebieden.

Voedsel- en broedbiotoop: Zoekt voedsel vooral in overjarig rietland, maar ook in aangrenzende ruigte en in struiken en bomen (vooral wilg). Broedt vrijwel uitsluitend aan de waterzijde van stevig, overjarig rietkragen.
Voedsel: Insecten (waterinsecten, libellen, rupsen, vlinders etc.), spinnen, ook wel slakjes en andere kleine ongewervelde.
Broedperiode:    Half mei tot in juli
Koloniebroeder: Nee
Aantal legsels:   Meestal een, soms twee
Aantal eieren:    (3)4-5 (6)
Trekroute: De grote karekieten die in Nederland broeden, trekken via een zuidelijke tot zuidwestelijke route naar tropisch Afrika.
Opvallende kenmerken: Veel groter dan kleine karekiet, met krachtige snavel en contrastrijkere, opvallende wenkbrauwstreep. Luide zang zeer kenmerkend, met harde rauwe "krrr-krrr-kiet-kiet"- tonen.
Gedrag: Leeft verborgen in het riet maar is zingend vanaf een zangpost vaak vrij goed waarneembaar. Komt eind april aan en trekt weg in augustus-september. Zingt vaak langdurig, ook 's nachts.
Kleed: Bovenzijde bruin en onderzijde beigewit, met tamelijk opvallende oog- en wenkbrauwstreep. Vaak met opgezette kopveren.
Formaat/ lengte: 16 - 20 cm
Snavel: Stevige, vrij lange snavel (lijsterachtig
Poten: Licht geel- of grijsbruin